top of page

De grond die al gelopen is — over verlangen, tijd en het teken dat ontstaat

Bijgewerkt op: 19 uur geleden

Een lege stoel op rotsen kijkt uit over een mistige bergvallei bij zonsondergang, met sterren aan de donkere hemel.

Er wordt verteld dat de grond bepaalt wat de mens wil.


Niet de mens de grond. De grond de mens.


Wie gaat, gaat over wat er ligt, en wat er ligt is ouder dan hij. Het water dat een dal heeft uitgesleten deed dat voordat er iemand was om het dal mooi te noemen. De steen die het pad omhoogduwt lag er al vóór de eerste voet. En toch zijn het dat dal en die steen die de wens vormen van wie erdoorheen trekt. Wie langs water opgroeit verlangt anders dan wie langs steen opgroeit.


Zo komt het dat een mens zijn eigen verlangen zelden herkent als iets dat hem is aangereikt. Hij meent te kiezen. Hij loopt over de keuze heen die al gemaakt was toen hij nog niet keek.


Het teken in de steen


In het donker van de steen ontstaat een hiëroglief.


Niet: er wordt er een in gehouwen. Er staat geen beeldhouwer bij met een beitel. Het ontstaat — uit druk, uit tijd, uit herhaling, uit wat duizend keer gebeurde zonder dat iemand keek.


Zo werkt steen. Wat erop drukt komt erin te staan. En omdat het donker is, staat het er ongelezen.


Dat is de eerste wet van het teken: het hoeft niet gezien te worden om te bestaan. In elk mens vormt zich zo iets. In het onbekeken deel van een leven schrijft zich een beeld dat later gelezen zou kunnen worden door wie er de taal voor heeft. Een hiëroglief is geen letter; een letter geeft een klank en verdwijnt. Een hiëroglief is een beeld dat betekenis draagt zonder haar uit te spreken. Je kunt ernaar staan kijken zonder te weten wat er staat, en toch weten dat er iets staat.


De meeste van die tekens komen nooit in het licht. Dat maakt ze niet minder aanwezig. Het maakt ze alleen ongelezen.


De teen en de voet


Een teen kan twee stappen maken, maar geen voet verder lopen.


Kijk naar wat er gebeurt wanneer iemand reikt. Het lichaam blijft staan, en toch komt er iets vooruit. De teen raakt grond die de voet nog niet draagt. Twee stappen ver, drie desnoods — er is werkelijk terrein gewonnen, en het is geen verbeelding. Daar staat een deel van hem, verderop, op grond waar de rest nog niet is.


Maar er wordt niet gelopen. Lopen doet het hele lichaam, of niemand.


Zo komt ook aan wat een mens overkomt. Er is altijd een deel dat er eerder is dan de rest. Een inzicht arriveert en staat meteen op zijn plaats — helder, af, niets meer aan toe te voegen — terwijl het leven eromheen nog nergens is. Je weet iets, en je bent het nog niet. Je hebt een besluit genomen dat je nog jaren niet kunt uitvoeren. Je begrijpt een mens die je pas veel later werkelijk kunt ontmoeten.


Dat is geen zwakte en geen uitstel. Het is de vorm waarin dingen aankomen: eerst in een deel, dan pas in het geheel.


En de snelheid waarmee iets binnenkomt bepaalt hoe lang het duurt om het te beleven. Wat in één klap arriveert kan jaren nodig hebben voordat het doorleefd is. Wat langzaam komt is soms al geleefd voordat er een woord voor was. Tijd rekt en krimpt — niet aan de klok, maar aan de kant waar het binnenkomt.


De teen wacht dus op de voet. Niet omdat de teen zich heeft vergist.


De mineur en de versiering


Elk stelsel draagt zijn eigen wroeging mee.


Wat niet gedaan is. Wat wel gedaan is en beter niet gedaan had kunnen worden. Die toon verdwijnt niet wanneer niemand hem noemt; hij zakt naar beneden en wordt de grondtoon waarop al het andere gestemd staat. Zo krijgt een heel stelsel zijn kleur, en die kleur is mineur — niet uit somberheid, maar omdat er iets in wordt meegedragen dat nooit is afgemaakt.


En toch blijven de rituelen leven. Niet ondanks de tegenspraak die erin zit, maar dankzij haar.


Kijk naar de oude gebruiken die zijn overgebleven. De handeling waarvan niemand meer weet waarom. De zin die eeuwenlang is meegezegd zonder ooit te zijn opgelost. Het gebaar dat nergens meer op slaat en dat toch niemand weglaat. Juist dat stuk dat niet klopt — de versiering, de paradox, het onverklaarbare randje — is wat het gebruik door de eeuwen heeft gedragen. Wat zichzelf volledig verklaart, sterft af zodra de verklaring niet meer nodig is.


Dat zijn de verhaallijnen die zijn achtergebleven om de komst niet te vergeten.


En één van die achtergebleven dingen is een getal.


De twaalf


In elk oud stelsel wordt geteld, en ergens houdt het tellen op. Zo denken wij het. Maar er zijn altijd tellingen geweest die verder gingen dan wat er te zien viel.


In 1976 schreef Zecharia Sitchin een boek over een twaalfde hemellichaam, en las hij de goden van de Sumerische kleitabletten als bezoekers daarvandaan. Assyriologen dragen zijn vertalingen niet; wie het spijkerschrift leest zoals het geleerd wordt, vindt er iets anders staan. Het is een eigen bouwwerk. Dat hoort erbij gezegd te worden.


Wat is blijven hangen is niet zijn bewijs maar zijn getal.


Twaalf, waar wij er acht tellen. Een plaats in de rij die openstaat.


Zijn telling loopt zo: de zon meegerekend, de maan erbij, en daarbij de planeten zoals men ze toen kende. Dat maakt elf. Het twaalfde is het lichaam dat zou terugkeren op een baan van duizenden jaren.


En de goden die hij daar las heten de Anunnaki. In de Sumerische en Akkadische teksten zijn dat de goden van het pantheon, de kinderen van An. Niet de bezoekers die Sitchin erin zag. Dat hij ze zo las is zijn werk, niet dat van de kleitabletten.


Of dat twaalfde lichaam bestaat is hier de vraag niet. De vraag is waarom een telling die niet uitkomt zo hardnekkig blijft staan.


Zulke getallen doen iets, ook zonder bewijs. Ze houden een stoel leeg aan tafel. En een lege stoel dwingt de aandacht op een manier die een volle nooit doet — dat is een oudere manier van kijken dan de onze, en zij is nooit helemaal verdwenen.


De wekker van het verhaal


De gegevens gaan mee met de modderstromen.


Zo is het altijd gegaan. Een helling houdt vast. Jarenlang, eeuwenlang houdt zij alles op zijn plaats — de lagen, de resten, de volgorde waarin ze gevallen waren. Tot het water er te lang in staat en het vasthouden niet langer gaat.


Dan laat zij los. En pas op het moment dat zij loslaat, gaat reizen wat erin lag.


Dat is het merkwaardige aan modder: zolang zij vastzit draagt zij niets. Wat vastligt gaat nergens heen. Het is de beweging van het loslaten die alles meeneemt — de lagen door elkaar, de volgorde kwijt, en toch alles nog aanwezig, beneden, waar het gevonden kan worden door wie graaft.


Zo komt kennis bij ons aan. Niet als een boek dat opengeslagen wordt, maar omdat er ergens iets losliet dat te lang was blijven zitten.


En zij kiest niet. Dat is wat modder tot modder maakt. Zij vraagt niet wie eronder woont, wat hij wist, of hij ook maar iets te maken had met wat daar losliet. Wie er het minst mee van doen had draagt het vaakst het meest. Daar valt niets goeds over te zeggen, en het wordt hier ook niet goedgepraat.


Misschien zitten wij allemaal ergens in vast — dat is nog het mildste wat erover te zeggen valt. En het vreemde is dat wie meent los te staan, het stevigst vastzit. Wie zijn band voelt weet tenminste waar hij zoeken moet.


Tot hier blijft het verhaal bij de aarde.


Wie een stoel leeg houdt, houdt hem leeg voor iemand. En wie iemand verwacht, verwacht ook een weg waarlangs hij voorbij de sterren reikt.


En dan wordt verteld dat de laatste het begin is van de starships.


De laatste. Wat achteraan de rij staat, wat niets meer achter zich heeft. Juist daar begint het — niet bij de eerste en niet bij de sterkste, maar bij wat overbleef toen de rest voorbij was.


En van die schepen wordt gezegd dat zij de wekker zijn van het verhaal.


Let dan op wat er niet gezegd wordt. Er staat niet dat zij het antwoord brengen. Er staat niet dat zij komen halen of komen redden. Een wekker brengt de dag niet; hij maakt wakker terwijl de dag toch al onderweg was. Wat er ook verschijnt aan de rand van het zicht — het is een geluid, geen bestemming. Het verhaal was er al. Het sliep.


En er is nog een manier om ernaar te kijken, die pas openvalt wanneer je een ogenblik gaat staan waar de twaalf staat, en van daar terugkijkt.


Misschien zijn die schepen wijzelf.


Wat van hier uit lijkt te naderen, is van daar uit iets dat vertrekt. Wie aan de rand van het zicht verschijnt, verschijnt altijd voor iemand anders. Dan is er niets onderweg dat komt halen. Dan is het wakker worden zelf de vloot, en zijn wij het geluid waarvan wij dachten dat het ons wekte.


En de ongebonden verlaat de gebonden in het licht van de schemering.


Dat is geen zegevierend beeld. Er klinkt geen fanfare bij een vertrek in het halfduister. De een gaat, de ander blijft, en het licht waarin dat gebeurt is het onbetrouwbaarste licht dat er is — het uur waarin je vormen ziet die er misschien niet zijn, en vormen mist die er wel staan.


En juist dat licht laat de gloed zijn van de twaalf.


Niet de aankomst maakt die gloed. Het weggaan maakt hem. De lege stoel aan tafel begint pas te lichten wanneer er iemand is opgestaan.


Twee keer wachten


Er wordt op meer dan één ding gewacht.


Het ene wachten is dat van het twaalfde lichaam en van wie daar zou wonen. Iets dat ooit hier was, dat wegging, en dat op een dag weer langskomt.


Het andere staat in de Bijbel, en daar wachten miljoenen mensen werkelijk op. De wederkomst. Het herstel van wat gebroken is. Verlossing.


Zet ze naast elkaar en de vorm is dezelfde. Iets komt van buiten, het was er eerder, en wanneer het komt is alles anders. Tot die tijd valt er weinig anders te doen dan klaarstaan.


Dat is geen reden om het ene tegen het andere uit te spelen, en al helemaal geen reden om iemand zijn wachten af te nemen. Wie wacht, wacht ergens om, en dat is zelden niets.


Op één punt is de tekst zelf strenger dan veel van wat er in zijn naam gezegd wordt. Er staat dat niemand de dag of het uur kent, en er staat uitdrukkelijk bij: ook de zoon niet. Dat is geen bijzin maar een verbod op het rekenen. Iedere keer dat er toch een datum is genoemd, en dat is honderden keren gebeurd, ging die datum voorbij en bleef de tekst overeind terwijl de rekening viel.


Waar de twee uiteenlopen is in wat er terugkeert. In het ene verhaal komen makers halen wat van hen is. In het andere komt iemand die recht zet. Een aankomst is geen oordeel.


En dan is er nog iets, en het staat in geen van beide. Het kwam hierboven al even langs, bij de schepen. Als wat van hier uit nadert van daar uit iets is dat vertrekt, dan zou het kunnen dat wij degenen zijn op wie gewacht wordt.


Dat neemt niemand zijn wachten af. Het verplaatst alleen de vraag. Niet: wanneer komt het. Maar: waar staan wij, en voor wie zijn wij het licht aan de rand van het zicht.


De geest geeft de fles terug


Iedereen kent het verhaal van de lamp. Er wordt over gewreven, er komt iemand uit, en er worden wensen gedaan. Zo is het duizend keer verteld.


Maar er is een wending in dat beeld die zelden verteld wordt. De vrijgelaten geest geeft niet de wensen terug. Hij geeft de fles terug.


Het omhulsel. Het ding dat hem gevangen hield.


Dat is een vreemde beweging, en het is de moeite waard om er even bij stil te blijven staan.


Bij bevrijding denken we aan weggaan — de deur uit, de rug toekeren, het achterlaten van wat sloot. Hier doet de vrijgelatene het omgekeerde. Hij draagt zijn gevangenis mee naar buiten en legt haar neer. En niet bij een eigenaar, niet bij degene die hem hield, maar in het geheel.


Alsof de gevangenis pas werkelijk voorbij is wanneer zij van niemand meer is.


En daar zit de moeilijkheid. Teruggeven kan alleen wie weet waarin hij zat. Wie zijn eigen fles nooit heeft gezien, heeft niets in handen om af te staan.


Een bepaalde morgen


Een teen kan twee stappen maken, maar geen voet verder lopen.


En dus wordt er gewacht op het antwoord van een bepaalde morgen.


Niet op een bepaalde datum. Een bepaalde morgen — bepaald in de zin van vaststaand, niet in de zin van bekend. Er is een ochtend waarop het antwoord komt, en niemand weet welke het is.


Dat verschil is niet klein. Wie een datum noemt, heeft het wachten omgezet in aftellen, en aftellen loopt altijd uit op teleurstelling of op gelijk — twee vormen van hetzelfde ongeduld. Wachten zonder datum is iets anders. Het houdt wakker zonder te laten rekenen. Het is de houding van iemand die niet weet hoe lang het duurt en toch klaarstaat.


De grond die al gelopen is bepaalt de wens.


De morgen waarop het antwoord komt is nog niet gelopen.

To display the Widget on your site, open Blogs Products Upsell Settings Panel, then open the Dashboard & add Products to your Blog Posts. Within the Editor you will only see a preview of the Widget, the associated Products for this Post will display on your Live Site.

Start your 14 days Free Trial to activate products for more than one post.

icon above or open Settings panel.

Please click on the

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
bottom of page